Voorheen werd er in Lienden geschaatst op een watergat aan de Drosseweg, beter bekend als het gat van De Bom, gelegen naast het huis van Bart van Meerten. Kort nadat de ijsvereniging van Lienden was verhuisd zijn wij op bezoek geweest bij Bart.

Hieronder leest u het interview, wat wij hadden op 5 november 1992 met Bart van Meerten.

BART VAN MEERTEN, IJsmeester van de Betuwe

bart_de_bom_gray

Op een avond in november zijn wij, Connie van Zetten en Corrie Agterberg, richting het gat van De Bom gereden. Nee, niet om te schaatsen, maar om een interview te hebben met Bart van Meerten, bij ons beter bekend als Bart de Bom, Koning van de Marspolder.
                                                                                                                                                              Zijn trouwe waakhond kwam ons op de dam reeds tegemoet. Gelukkig meer blaffen dan bijten. Bart zoals iedereen hem noemt, deed zelf open. Das om en pet op. Hij was wat grieperig, had al twee dagen binnen gezeten en dat was volgens eigen zeggen veel te lang. Hij moest nodig weer naar “zijn keujes, kiepen en de pauw met z’n kale kont”.

Eenmaal binnen hoef je Bart niet veel vragen te stellen. Hij weet alles nog precies. Zoals bijvoorbeeld hoe het allemaal begonnen is op “De Bom”.
Toen er nog echte winters waren, in de jaren zestig, wilden zijn kinderen natuurlijk ook schaatsen. Het water lag naast de deur en wanneer Bart dan het ijs gekeurd had, mochten zijn kinderen erop. Bart zelf hield dan het ijs bij, vegen en zo. De vriendjes van school en uit de buurt waren ook al gauw van de partij. Na enige jaren werd er druk op het gat van De Bom geschaatst en begin jaren ’70 is de ijsclub de Pinguïn opgericht.

De samenwerking tussen Bart en het bestuur van de Pinguïn verliep prima. Bart keurde over het algemeen het ijs samen met de politie, welke altijd het advies van Bart ter harte nam. Ook als er al een tijdje geschaatst was vertelde Bart precies wat er gedaan moest worden. “Jongens, je mot de brandweer bellen er mot water onder kommen”of “Jongens, achterin een sleufje graven, het ijs gaat drijven.” En zo had Lienden de  mooiste baan van de Betuwe. Nooit te vroeg open, maar wel altijd het beste ijs.

Ernstige ongelukken kan Bart zich gelukkig niet herinneren. Wel dat er een keer een veegmachine is doorgegaan, omdat degene die er achter liep, te lang op een plaats had staan te praten. Of van die eigenwijze jongelui, die achter het lint gingen om te vrijen, vertelt Bart met pretlichtjes in de ogen en dan met natte voeten terug kwamen. Verder hield Bart orde met een gard. Wie niet luisteren wilde, moest het maar voelen. Maar pas als hij ze een paar keer gewaarschuwd had. Op die manier kan je ze een hoop leren volgens Bart. Hij heeft het altijd goed kunnen vinden met de jongelui. Die hij nog wel eens gratis de baan op liet gaan, als ze krap bij kas zaten.

Zelf heeft Bart nooit geschaatst. Ja, er was wel een paar schaatsen, maar die moesten ze thuis met zijn vijven delen. Maar als er ijs was, ging hij wel altijd naar de “Neie Woaij” of te wel de Nieuwe Waay aan de dijk. Daar maakten ze dan dolle-mans-slee. Aan een paal werd een stuk touw gebonden, dan een stuk hout, dan weer een touw en daaraan een slee. Een aantal jongens duwden dan tegen dat stuk hout en zo ging de kerel op de slee keihard rondom die paal tot hij groen van de misselijkheid zag.
Of ze gingen slingeren, zodat de achterste man tegen de dijk opvloog. Oh ja wat hij zich ook nog kan herinneren is dat er een “keuje”gevangen moest worden. Alleen de vrouwen mochten hieraan meedoen. En wie hem onder de rokken gevangen kon houden was spekkoper. Dat varken was helemaal ingesmeerd met groene zeep. “Da kan je wel voorstellen, da schrekende keuje en dan al die freulie er gillend achteraan”. Ja, dat waren nog eens tijden. Het hele dorp stond op de dijk te kijken.

Connie merkt op dat het hier in de keet bij het gat van De Bom toch ook vaak heel gezellig is geweest. “Zeker” zei Bart, vooral ’s avonds na tienen. Nog gauw effen een bakkie thee halen bij ome Jo Budding. Man, man wat hebben we toen een schik gehad. Je ziet aan zijn ogen, dat hij het hele tafereel weer voor de geest haalt.

Op de vraag of hij al in De Langewei is wezen kijken, verandert zijn houding. Ja, hij is er geweest met de opening, maar het gat is veels te klein. Het wordt er nooit zo gezellig als op het gat van De Bom. Volgens hem zit de helft van de schaatsers overdag nog op De Bom. Maar hij heeft het bestuur beloofd, dat hij niets meer aan de baan doet. Hij zal De Bom niet gaan vegen of zo. Maar hij mist het wel. Dat is duidelijk. Van de zomer had hij graag op het feest willen komen, maar hij had een verjaardag. Hij voegt er gelijk aan toe, als ze me weer uitnodigen kom ik beslist. Nou Bart, daar houden we je aan.

Intussen is zijn dochter binnen gekomen met de koffie. In de voorkamer hangen allemaal foto’s van kinderen, kleinkinderen en zelfs achterkleinkinderen. En ook een foto van Bart in een vliegtuig. Op zijn tachtigste (hij is nu 83) is Bart nog de lucht in geweest. Na de koffie krijgen we nog enkele adviezen over trouwen en kinderen krijgen en zelfs een uitnodiging om te blijven slapen, al die warmte zou goed zijn voor de griep.

Een bijzondere man die Bart de Bom van Meerten. Vanaf nu gaan we hem maar de IJskoning van de Betuwe noemen. We missen hem toch wel een beetje in De Langewei. Bart bedankt voor het gesprek en we zullen al je raad zo goed mogelijk opvolgen.

Lienden, nov. 1992  Connie van Zetten en Corrie Agterberg.